Sturen op Uren

De Minister van Onderwijs wil in de wet vast te leggen, dat scholen 1040 uren per jaar lesgeven. Ze veronderstelt misschien, dat kinderen meer leren als ze langer in de schoolbanken zitten.

Is dat zo?

Meer uren, betere resultaten?

Eerlijk gezegd weet ik het niet. Maar ik heb wel mijn twijfels. Het eerste wat mij enige tijd geleden aan het denken zette, was een verhaal over de productiviteit van werknemers. Wat blijkt? Henry Ford heeft met de stopwatch uitgezocht, dat werknemers optimaal presteren bij een 40 urige werkweek! Vervolgens introduceerde hij het als sociaal beleid.

Bron: http://lunar.lostgarden.com/Rules%20of%20Productivity.pdf

 

Sinds ik dit plaatje zag, vroeg ik mij af of we dergelijke gegevens ook voor het onderwijs kennen. Ik heb wel gezocht, maar kan toch niet veel vinden.

 

We beschikken dankzij de OESO wel over internationale vergelijkingen. Wat doen ze eigenlijk in Finland, het Europese land, dat zo veel beter uit de Pisa metingen komt?

Deze grafiek laat het aantal uren zien, dat een kind tussen zijn zevende en veertiende jaar in de schoolbanken zit. De landen met het minste aantal uren staan bovenaan. Met één oogopslag zien we, dat een Nederlands kind veel meer uren (bijna 2000) in school doorbrengt dan een Fins kind. Landen zoals Mexico, Italië, Israël en Wallonië zijn niet echt de landen waar we ons aan zouden moeten spiegelen.

Meer helderheid geeft het volgende OESO rapport: Quality Time for Students: Learning in and out of the School. Als je dit rapport bekijkt, dan valt het op, dat de Finse leerlingen juist meer uren besteden aan de vakken die de OESO meet en dat dit vooral tijdens de lessen gebeurt. Dus een Fins kind heeft 20% minder uren per jaar, heeft minder huiswerk en moet ook minder vakken hebben, want ze krijgen meer lesuren in science, wiskunde en lessen in de eigen taal dan een Nederlands kind.

 

De trend in het rapport is, dat huiswerk (en vormen van bijles) minder effectief is dan reguliere lessen van hoge kwaliteit. De OESO stelt, dat de kwaliteit van de lessen belangrijker is dan het aantal uren:

„Given these findings, simply adding hours to the school day or encouraging students to spend more time in after-school lessons or individual study would not automatically help low-performing countries improve their test scores. Instead, these countries should explore ways to improve the quality of school lessons. One way of doing so would be to improve the quality of teachers.”

Een ander OESO rapport onthult nog iets over ons Nederlandse onderwijs:

Nederlandse leerlingen lezen niet voor hun plezier! Alleen in Oostenrijk en Liechtenstein lezen minder 15-jarigen voor hun plezier. De OESO telt alles mee: stripboeken, tijdschriften etc. Nu valt het wel op, dat kinderen die het vaakst voor hun plezier lezen, in landen wonen met minder toegang tot televisie, spelcomputers, internet etc. Maar toch, in Canada, Finland, Singapore en Korea hebben kinderen zeker zoveel toegang tot deze middelen als in Nederland, toch lezen daar veel meer kinderen dagelijks voor hun plezier.

 

Is het belangrijk, dat kinderen voor hun plezier lezen? Jazeker, de verschillende PISA rapportages laten een direct verband zien tussen leesplezier en leesscores.

 

De reactie van Nederland op de dalende tendens op de PISA ranglijst, is centraal toetsen, exameneisen omhoog schroeven, prestatiebeloning voor docenten en een wettelijke urennorm.

 

De reflex is dus harder werken. Henry Ford wist al beter.

 

Heeft de minister er al eens over nagedacht hoe alle scholen alle kinderen weer zover krijgen, dat zij voor hun plezier gaan lezen? Hebben kinderen daar ook gewoon meer vrije tijd voor nodig?

Bronnen:

PISA IN FOCUS 2011/8 (September) – © OECD 2011

Quality Time for Students: Learning In and Out of School © OECD 2011

Education at a Glance © OECD 2011

 

 

Polderkolder

Verbazing

Sinds ik terug ben van vakantie, val ik in de ene verbazing na de andere. Eerst lanceert de voorzitter van de Besturenraad (hij promoveerde op de politieke verhoudingen in Limburg) gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes. Ferry Haan weet ons te vertellen, dat „de jongenscrisis in het onderwijs een internationale ramp is”. Daarna kom ik het schooluniform tegen in de Volkskrant en in de NRC. Tenslotte kondigt de  minister  „Michelinsterren” voor scholen aan.

Rendement

De discussie is zowel lachwekkend als treurig. Drie initiatieven met geen enkel rendement voor de leeropbrengsten van scholen.

Jongens en meisjes

Gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes is er al heel lang. De effecten voor de leeropbrengsten zijn keer op keer gemeten. Het resultaat is nihil. De verschillen in schoolprestaties tussen jongens onderling en tussen meisjes onderling zijn veel groter dan de verschillen tussen die twee groepen. Zowel jongens als meisjes hebben uitdagend onderwijs nodig van excellente docenten.

Schooluniformen

Schooluniformen worden in veel landen toegepast. Er zijn uitgebreide effectmetingen gedaan. Het rendement is nul op de basisschool en negatief in het voortgezet onderwijs.

Michelinsterren

Tja, en dan nog die excellente scholen. Waarom zou je? De verschillen binnen een school zijn veel groter dan de verschillen tussen scholen. Beleid richten op de verschillen tussen scholen is hetzelfde als een zonnebril opzetten tegen geluidsoverlast. Als je echt het rendement van het onderwijs wilt verhogen, dan moet je inzetten op de verschillen binnen scholen (lees de verschillen in kwaliteit tussen docenten).

We hebben hier ook nog een ander probleem: wie bepaalt de kwaliteit van de school en hoe doe je dat?

De onderwijsinspectie

Ik hoor het antwoord al: de onderwijsinspectie! Maar meet de onderwijsinspectie wel op een betrouwbare manier de kwaliteit van een school? Ik heb daar mijn twijfels bij. De onderwijsinspectie baseert zich op (eindexamen)cijfers, doorlooptijden, de kwaliteit van het onderwijsproces, het verschil tussen het schoolonderzoek en het eindexamencijfer enz.

Betrouwbaar meten

Op het oog lijkt het allemaal objectief en betrouwbaar. Maar betrouwbaar meten betekent, dat je rekening houdt met allerlei factoren, die de uitkomst van je meting beïnvloeden. Hoe groot is de kans, dat een gemeten verschil tussen het eindexamencijfer en het schoolonderzoek aan toeval is toe te schrijven? Je zult deze informatie niet terugvinden in inspectierapportages. In welke mate houden de eindexamenresultaten verband met de sociaal-economische structuur van een wijk? Staat er een zelfstandig gymnasium in de omgeving van de school, die leerlingen uit de hogere sociaal economische milieu’s aantrekt?

Bureaucratie

De manier waarop de inspectie de kwaliteit van het onderwijsproces meet, leidt ertoe, dat scholen een interne bureaucratie tot stand brengen. De energie, die scholen daarin steken, gaat ten koste van de aandacht voor de leerlingen.

Een spiegelbeeld van de werkelijkheid.

Om het predikaat „voldoende” te krijgen van de inspectie doen scholen er verstandig aan om kinderen beneden hun niveau in te delen. Laat een kind, in plaats van vwo, havo doen en je zit altijd goed. Is dat goed onderwijs? Wat gaat een school doen om het predikaat excellent te krijgen? Waarschijnlijk moet je dan nog minder risico’s met kinderen nemen en ze dus nog verder onder hun niveau laten werken. Ik voorspel, dat de invoering van de „michelinsterren” geen enkel betekenisvol effect heeft op de kwaliteit van het onderwijs, misschien zelfs een negatief effect.

Wat wel?

Twee landen, Finland en Singapore, die in dertig jaar tijd hun onderwijs aan de wereldtop hebben gebracht laten het zien: zorg, dat je de beste mensen, waar een land over beschikt, voor de klas zet. Om in Finland toegelaten te worden tot universitaire onderwijsopleiding (HBO’ers komen daar niet voor de klas, ook niet in het basisonderwijs) moet je door de volgende selectie:

Hoge eindexamencijfers, hoge cijfers op landelijk universitair toelatingsexamen, examen voorgeschreven didactische boekenlijst, assessment, sollicitatiegesprek; 10% van de kandidaten wordt toegelaten.

Het gevolg: een beroep met een hoge status, geen lerarentekort (er zijn nooit tekorten in beroepen met een hoge status), geen onderwijsinspectie en onderwijsopbrengsten ver boven die van Nederland.

Exit politieke stokpaardjes

Laten we in Nederland gewoon maar eens beginnen met het uitfaseren van de HBO opgeleide docent in het hele onderwijs en tegelijkertijd hoge eisen stellen aan de toelating tot de (universitaire) lerarenopleiding. Zo krijgen we excellente docenten en een beroepsgroep met professionele mondigheid, die politieke stokpaardjes buiten het onderwijs houdt.

 

 

Een rode kaart voor de onderwijsinspectie

In een artikel in de Leeuwarder Courant van 12 april 2011 beoordeelt de onderwijsinspectie scholen met sprekende, maar misleidende kleuren:

 

Rood, oranje en groen. Groen is overigens niet goed. Bij de inspectie doe je het nooit goed.

 

Het gaat niet om scholen: het gaat om leraren.

Zijn de verschillen tussen scholen zo groot? Echt onderzoek laat zien, dat verschillen tussen scholen weinig effect hebben op de leerresultaten1. De echte verschillen zijn te vinden binnen de school.  De meerderheid van de leraren geeft uitstekend les, maar er is een minderheid, die door ordeproblemen nauwelijks aan lesgeven toekomt.

Als een kind pech heeft en de verkeerde leraren krijgt, dan zakt het op de beste school. De verschillen binnen een school tussen leraren bepalen, naast de leerresultaten2, ook het toekomstig inkomen van kinderen.3

Friesland

In Friesland is het verschil in gemiddeld eindexamencijfer tussen een “zwakke” en een “voldoende” opleiding 0.3 punt. Zo’n verschil kan op toeval berusten of aan factoren buiten de school. Niemand kan op basis hiervan conclusies trekken over de kwaliteit van het onderwijs op een school.

De kwaliteit van de inspectie

Het artikel roept vragen op over de onderwijskundige kennis van de inspectie. De inspectie stuurt aan op een vroege, strenge selectie, zoals ondermeer blijkt uit: “strenger plaatsen is beter”.

Deze manier van selecteren veroorzaakt mede onze achterstand op landen als Finland en Canada. De Nieuwzeelandse hoogleraar John Hattie laat zien, dat “Ability Grouping” negatief uitpakt4: een vroege selectie ontneemt kinderen kansen en vernietigt het leerklimaat op de laagste niveau’s.

Het beleid van de inspectie tast op deze manier de kwaliteit van het onderwijs aan.

Een beleid, dat haaks staat op een recent advies van de onderwijsraad:

“Zo zijn scholen soms voorzichtig om leerlingen waarover enige twijfel bestaat te laten doorstromen. Het beleid zou scholen er juist voor moeten belonen wanneer zij voor alle leerlingen streven naar het maximaal haalbare.”5

Canada en Finland, landen met beter onderwijs, kennen geen onderwijsinspectie. Toeval?

Een onderwijsinspectie, die zich bezighoudt met verschillen tussen scholen heeft geen enkele toegevoegde waarde voor de kwaliteit van het onderwijs.

 

Jan Tishauser.

noten:

1. Scheerens & Bosker, The Foundations of educational effectiveness, 1997, Oxford, Pergamon Press

2. Konstantopoulos, S., Trends of school effects on student achievement, 2005, Bonn, Institute for the Study of Labor.

3. http://educationnext.org/valuing-teachers/

4. John Hattie, Visible Learning, 2009,  Abingdon, Routledge.

5. Onderwijsraad: Naar hogere leerprestaties in het onderwijs, 2011, http://www.onderwijsraad.nl/publicaties/2011/item3463

 

Niemand wordt beter van prestatiebeloning

De staatssecretaris van onderwijs wil 250 miljoen euro uitgeven aan de prestatiebeloning van leraren.

1. Ik geloof in de oprechte intentie om het onderwijs te verbeteren. Bovendien ben ik het ermee eens, dat de aandacht uitgaat naar de opbrengsten van het onderwijs.

Maar als je voorstelt om prestaties te gaan belonen, dan spreek je de boodschap uit, dat de prestaties niet in orde zijn. Bovendien ga je ervan uit, dat de mindere prestaties te wijten zijn aan de kwaliteit en de inzet van je personeel. Impliciet is een voorstel om prestatiebeloning in te voeren een negatief oordeel van de staatssecretaris over de kwaliteit van de docenten in Nederland. Het is feitelijk een motie van wantrouwen.

Zijn de prestaties in het Nederlandse onderwijs onder de maat?

We kijken dan naar de zogenaamde Pisa Ranglijst van de OESO.

Nederland staat bij elke meting in de top 20. De verschillen binnen die top 20 zijn over het algemeen statistisch niet relevant. De zogenaamde daling tussen 2006 en 2009 is ook niet significant.

Dit betekent, dat die verschillen op toeval kunnen berusten. Het enige betrouwbare verschil tussen 2006 en 2009 blijkt een stijging van de resultaten op 1 van de leestoetsen te zijn.

Het enige wat we zeker weten is een stijging van de resultaten!

Leerling-evaluaties, zo blijkt uit recent Amerikaans onderzoek, geven een betrouwbare voorspelling van de leerresultaten, die een docent behaalt. (Learning About Teaching, Initial Findings from the Measures of Effective Teaching Project, Bill & Melinda Gates Foundation)

Wij beschikken over 25.000 vragenlijsten van Nederlandse leerlingen met 80 antwoorden over het lesgeven van hun leraar: op een schaal van 5 punten komen de leerlingen gemiddeld op een 3,7!

Mijn conclusie: De staatssecretaris besteedt 250 miljoen aan een niet bestaand probleem.

2. De goede intentie kan verkeerd uitpakken: resultaten blijven misschien gelijk, maar kunnen ook dalen door de invoering van prestatiebeloning.
Recent onderzoek uit New York, gedaan bij 200 scholen met in totaal 12.000 leerkrachten, die deelnamen aan een proef met prestatiebeloning, laat zien, dat de resultaten gelijk blijven op kleinere scholen, maar dat op grotere scholen de resultaten dalen. (Roland G. Fryer: Teacher Incentives and Student Achievement: Evidence from New York City Public Schools, National Bureau of Economic Research,http://www.nber.org/papers/w16850)

In de top 30 van de PISA landen is geen enkel voorbeeld te vinden van positieve effecten van prestatiebeloning op de leerresultaten van leerlingen.
Meer geld naar het onderwijs levert per definitie maar marginale verbeteringen op. Prestatiebeloning is een van de weinige manieren om met meer geld de resultaten te laten dalen.

3. Al sinds de jaren 50 laat onderzoek keer op keer zien, dat prestatiebeloning uitsluitend positieve effecten heeft op eenvoudig, routinematig werk. Zodra een taak creativiteit en intelligentie vraagt, dan werken financiële prikkels averechts.

4. We weten ook wat professionals wel drijft tot goede prestaties:

Meesterschap:    de drijfveer om beter te worden in je vak en steeds betere resultaten te   behalen.

Autonomie:        de behoefte om sturing aan de eigen werkzaamheden te geven.

Betekenis:            Werk, dat iets betekent voor de maatschappij, een bijdrage willen leveren aan een groter geheel. (Adam M. Grant, Journal of Applied Psychology, 2008, Vol. 93, No. 1, 108–124)

5. Wat kun je doen in plaats van prestatiebeloning?

1.     Investeren in de professionaliteit van docenten:

Beter worden in je vak motiveert. Bovendien laat onderzoek zien, dat investeren in de professionele ontwikkeling van docenten een bovengemiddeld effect heeft op de leerresultaten van leerlingen. De cijfers stijgen binnen 1 schooljaar!

2.     Opleiding van docenten! Elke docent weet, dat hij of zij het vak nog moest leren toen hij of zij begon. Dit is onnodig. Het is wel degelijk mogelijk docenten op te leiden voor de praktijk. Stel tijdens de opleiding hoge eisen aan praktische vaardigheden zoals klassen-      management en didactiek. Laat studenten, die niet aan deze eisen voldoen, buiten het beroep.

3.     De grote meerderheid van de docenten doet goed werk en behaalt goede resultaten. De slagingspercentages in het onderwijs liggen hoog. De grootste aanslag op de kwaliteit van het onderwijs wordt echter gedaan door de kleine minderheid van docenten, die het niet in de vingers hebben. De verschillen binnen een school zijn veel groter dan de verschillen tussen scholen.
Elk jaar doen onze kinderen mee aan een loterij: de meesten winnen  een hoofdprijs, maar sommigen verliezen. Zij krijgen een jaar lang een docent, die vooral met orde bezig is en er niet aan toe komt om de stof  meer dan oppervlakkig te behandelen. Identificeer de 5% slechtst presterende docenten binnen een school en neem afscheid van hen. De effecten op de leerresultaten zijn onmiddellijk zichtbaar.

Binnen het onderwijs moet de norm zijn: elke docent excellent!

Deze staatssecretaris wil 250 miljoen euro uitgeven aan een project dat in het beste geval niets oplevert. Het geld is beter besteed, als hij het in de Hofvijver gooit. Tegelijkertijd bezuinigt men 300 miljoen op passend onderwijs.

Ik vind dat een immorele keuze.

Jan Tishauser.

Mijn Trapgedachte.

Afgelopen vrijdag heb ik met een aantal mensen een debat mogen voeren over prestatiebeloning in het onderwijs.

Ik ging er met gemengde gevoelens heen.
Ik kwam er met opnieuw gemengde gevoelens vandaan.

Spannend!

de deelnemers:

een docent/schrijver, een tweede kamerlid van de SP, een onderzoekster van de Erasmus Universiteit, een vertegenwoordiger van de lerarenvakbond “Leraren in Actie”, de voorzitter van de Algemene Onderwijs Bond, een Human Resources mevrouw van de KPN, een HRM adviseur van het CPS, een directielid van het Willem I College in Den Bosch, en een journalist.

Mijn ervaring

Ik heb leuke, boeiende, intelligente mensen ontmoet. Wij waren een studieobject voor de studenten, die dit organiseerden. Hoe komen de belangen, die rond een actueel politiek thema spelen tot uiting in het gedrag van de deelnemers aan zo’n debat? Achteraf analyseerde ik het debat vanuit dit perspectief en het regende kwartjes.

Ik hoop, dat ik de conclusies van de studenten nog eens mag zien. Ik heb geen idee, hoe mijn gedrag tot mijn belang is terug te brengen. Hier kan ik in ieder geval van leren.

De Trapgedachte
‘s Avonds kwam mijn trapgedachte.

Weet u wat een trapgedachte is? (nee, niet de minister er….)

Je voert een belangrijk gesprek. Na afloop, op de trap naar buiten, weet je, wat je had moeten zeggen:

Prestaties beloon je niet!

Prestaties vier je!

Ik was eens op een school op het moment, dat de examen uitslagen binnenkwamen:

100% geslaagd! Het was onmiddellijk feest. De rector en de docenten feliciteerden elkaar. Hier deden ze het voor.

We kennen allemaal de beelden van sporters na een topprestatie.

Mijn schoondochter is violiste (nog wel, in de toekomst heeft ze of een ander vak in Nederland of ze is vertrokken naar het buitenland.)

Zaterdag, voor een uitvoering, waar zij als concertmeester fungeerde, vroeg ik haar:  “wat doen jullie, als jullie een topprestatie neerzetten?”

“Dat is altijd feest”, zei ze, “het geeft een “yes-gevoel”.

En als ik je van te voren een bonus beloof?

“Dan wordt het helemaal niks, want zulke dingen blokkeren.”

De feiten.
Mijn ervaring als P&O’er maakt mij nog niet een specialist op het gebied van prestatiebeloning. Voor zover het werd toegepast, viel mij op, dat  vooral die mensen het kregen, wiens belangrijkste prestatie bestond uit het met succes overtuigen van de baas, dat zij een extra beloning hadden verdiend.

Stille werkers, met goede resultaten, kregen het zelden of nooit.

De afgelopen week heb ik mijn persoonlijke aversie tegen prestatiebeloning even opzij gezet en gezocht naar uitkomsten van onderzoek.

Dat is even schrikken:

Het werkt alleen bij dom werk!

Zodra een taak intelligentie of creativiteit vraagt, dalen de resultaten bij het aanbieden van een prestatiebeloning.

Als deze minister bij haar volle verstand prestatiebeloning invoert, dan is de impliciete boodschap aan de docent:

“jouw werk vereist geen intelligentie of creativiteit.”

Als je meer geld stopt in het onderwijs, dan levert dat bijna altijd een verbetering van de leeropbrengsten op. De verbeteringen zijn bescheiden. De vraag is niet zozeer hoeveel geld je in het onderwijs stopt, maar hoe je het besteedt.

Prestatiebeloning is, in potentie, de enige manier waarop je meer geld in het onderwijs kunt stoppen en de resultaten kunt laten dalen.

Het boek van John Hattie, Visible Learning, geeft op bladzijde 93 tot en met blz. 95 een overzicht van de effecten van geld op de leerresultaten van de leerlingen. Als je kijkt naar zijn rangorde in appendix b, dan zie je, dat geld op plaats 99 staat. Dit betekent, dat er 98 andere mogelijkheden zijn om hogere leerresultaten te krijgen, dan meer geld in het onderwijs stoppen.

Twee voorbeelden:

Sociaal economische status staat op plaats 32. Armoede is een voorspeller van slechte leerresultaten. Deze week hebben we in de pers kunnen lezen, dat de armoede onder Nederlandse kinderen is gestegen. Steek de 200 miljoen euro voor prestatiebeloning in armoede bestrijding en je hebt minimaal 2 keer zoveel rendement.

Een andere voorspeller van slechte leerresultaten is ondergewicht van vroeggeborenen (plaats 38). Nederland doet het in de prenatale zorg niet goed. Europees hebben we de hoogste zuigelingensterfte en ook op geboortegewicht en vroeg-geboortes steken we niet gunstig af.

Als je het geld in betere prenatale zorg steekt, kun je ook zomaar 2 keer het rendement op de leerresultaten in Nederland halen.

En dan ga ik er vanuit, dat die prestatiebeloning een vergelijkbaar positief effect heeft als andere salarismaatregelen. Dat is helemaal niet te verwachten!

Een inspirerende middag
Ik wil Thijs Jansen hartelijk bedanken voor de uitnodiging, uiteindelijk werd het een inspirerende middag dankzij:

Manja Smits, een jonge intelligente politica, lid van de Tweede Kamer voor de SP, ze kan glimlachend debatteren. Ze dwingt mij om mijn vooroordelen over politici opzij te zetten.
René Knijber, een jonge docent, die net als ik wetenschap en beroepspraktijk met elkaar wil verbinden; een bondgenoot.
Walter Dresscher, wijs en gedreven. Hij zet ook in op de professionalisering van docenten.
Teja Bodewes, kan managers in het onderwijs precies vertellen, wat ze anders moeten doen. Luisteren!
Rob Voorwinden, humor, als hij wat zegt, dan is het raak. De gave om in het debat met weinig woorden heel aanwezig te zijn.

Mocht u het effect van prestatiebeloning zelf willen zien, dan raad ik u de volgende link aan:

http://www.innovatieforganiseren.nl/ongerubriceerd/dan-pink-carrots-sticks-versus-intrinsieke-motivatie-video-filmpje-prestatiebeloning-variabele-beloning/#more-2616

Bekijk het filmpje, het is leuk en leerzaam.

dr. Bernd Irlenbusch van de London School of Economics heeft een recente studie (2009) over prestatiebeloning gepubliceerd:

We find that financial incentives may indeed reduce intrinsic motivation and diminish ethical or other reasons for complying with workplace social norms such as fairness. As a consequence, the provision of incentives can result in a negative impact on overall performance.’

http://www.managersonline.nl/nieuws/8586/prestatiebeloning-verslechtert-prestaties.html

The London School of Economics heeft 11 Nobelprijs winnaars opgeleid.

Inmiddels bereidt de Erasmus Universiteit (1 nobelprijs winnaar) pilots voor om te onderzoeken welk systeem van prestatiebeloning het best werkt. Zoals de onderzoekster zegt: “prestatiebeloning verdient een kans!” Een experiment over de rug van docenten en leerlingen. Onze leerlingen en docenten verdienen deze kans niet!

Jan Tishauser.

Marja van Bijsterveldt treed af!

Nederland zakt verder af op de PISA ranglijst.

Minister Marja van Bijsterveldt toont gebrek aan ambitie en neemt maatregelen, die aantoonbaar niet werken. Maatregelen die wel werken, neemt ze niet.

De ambitie van deze minister

We gaan voor………….de vijfde plaats!?  Zie je Sven Kramer al?

Wat denk je Sven? “Nou ja, de vijfde plaats………”

Het is eigenlijk niet eerlijk om deze minister haar gebrek aan ambitie te verwijten, zij praat immers de Kamer na:

‘Ik kan daar als minister van onderwijs geen genoegen mee nemen, temeer daar er een Kamerwens ligt om wereldwijd tot de topvijf te stijgen. Ik moet wat doen.’
(Let wel tot de top vijf, dus niet verder dan de zesde plaats.)

Aldus de minister vandaag in de Volkskrant.

In de Nederlandse politiek heerst een wijdverbreide mythe:  de samenleving is niet maakbaar.

Misschien niet, maar wie niet gelooft, dat je er iets van kan maken, heeft in de politiek niets te zoeken.

Weleens een voetbalelftal het veld op zien sjokken, dat er niet in geloofde?  En dan vinden onze politici het vreemd, dat de bevolking niet meer in de politiek gelooft.

Ik geloof wel in de effecten van doelgericht beleid. Ik ben erin gaan geloven toen het ijzeren gordijn openging en ik de rampzalige gevolgen zag van geen milieubeleid. Ik zag, dat gericht beleid succesvol kan zijn.

Succes begint met ambitie.
Succes is het resultaat van geduldig volhouden en de juiste dingen doen.

De OECD geeft in haar persbericht een indicatie van succesvolle beleidsmaatregelen. Geen enkele maatregel die deze minister voorstelt, komt daarin voor.

De maatregelen van deze minister

1.     Toetsen!  In de Verenigde Staten zijn ze zo’n twintig jaar geleden begonnen met allerlei toetsen in te voeren. De gedachte: “als je maar duidelijke eindtermen formuleert voor elke fase in het onderwijs, dan borg je vanzelf de kwaliteit.” In eerste instantie dacht ik:  “ach, veel  kwaad kan het ook niet”. Dat valt tegen!  The American Educational Research Association waarschuwt op haar website nadrukkelijk tegen het fenomeen “toetsen”.  Lees en huiver! Soms werkt het, meestal niet en als het wel werkt, heeft dat te maken met een heleboel randvoorwaarden, die je met jarenlang geduldig, gericht beleid realiseert. Bovendien is er een stevig risico op negatieve effecten.

De eigenaar van de gokkast wint altijd, in dit geval de leverancier van de toetsen. En de verliezers? Nee, dat is niet de minister, die ons geld erin gooit. De verliezers zijn onze kinderen. Door de overheid opgelegd gestandaardiseerd toetsen is een typische borrelpraatoplossing.  Deze minister kan zich bij een toekomstige parlementaire enquête  niet beroepen op “met de kennis van nu”.

2.    We gaan vooral lesgeven in die vakken, die de OECD toetst. Tja, dat is nu net één van de negatieve effecten van toetsen: leerlingen, excuus, landen, die alleen voor de toets werken. Pas op Minister! De OECD breidt de toetsing steeds verder uit. Voor je het weet, gaan ze op creatieve vakken en lichamelijke opvoeding toetsen. Heb je ze net de nek omgedraaid!

3.    We gaan meer uit de excellente leerlingen halen, want die presteren hier minder dan in andere landen. Prima! Hoe gaan we dat doen? Het enige idee, dat wellicht hout snijdt, is niet uitgewerkt.

De maatregelen, die de minister niet neemt.

Laten we maar eens beginnen met drie zinvolle maatregelen, die binnen het bereik van de overheid liggen.

1.     Het uitfaseren van de HBO opgeleide docent in het Nederlandse onderwijs. In een overgangsperiode kun je misschien nog mensen voor de klas toelaten met een academische bachelor. Uiteindelijk moet een academische master de eis zijn. Gewoon Finland en Canada navolgen.

2.    Leraren belonen op basis van de academische graad, die zij behaald hebben. Dus ook LD in het basisonderwijs. De best betaalde docenten geven nu les in de bovenbouw Havo en VWO. Het verschil maak je op de basisschool. Daar moeten we onze beste mensen hebben. Kijk voor een voorbeeld naar de onderwijs CAO in de Canadese provincie Alberta (binnen Canada de hoogst scorende provincie).

3.    De basisschool uitbreiden met drie leerjaren. In een volgend blog zal ik deze keuze nader motiveren en onderbouwen.

Deze drie maatregelen zijn een eerste aanzet. De komende weken kan de minister inloggen voor gratis beleidsadviezen. Gratis in twee opzichten: Ik geef ze voor niets en de implementatie kost ook niets.

Tenslotte

Vanavond zag ik de Minister van Onderwijs in het journaal. Ouders moeten voortaan vragen “Wat heb je geleerd?” In plaats van “Was het Leuk?”

Het ligt aan de ouders?! Ik ben net gewend aan de gedachte, dat het aan de leerlingen ligt!

Beste minister, wij vragen al jaren aan onze kinderen of ze iets hebben geleerd. Vooral ouders die een kind in het MBO hebben, krijgen steevast “NEE” als antwoord. Zij voelen zich al jaren niet gehoord.

Ik verwacht meer van een Minister van Onderwijs. Ik verwacht de ambitie om de beste te zijn.

Jan Tishauser.

P.S. Beter presteren is geen doel. Goed presteren is een doel!

De moeilijkste leerlingen ter wereld?

Eerlijk gezegd ben ik geschokt door het opiniestuk van Ferry Haan onder de titel “Moeilijkste Leerlingen ter Wereld” .

Ferry is door zijn columns in de Volkskrant een opinieleider op het gebied van onderwijs  in Nederland. Hij citeert Pieter Veenboer, de rector van het Keizer Karel College te Amstelveen.

Deze heren roepen maar wat, niet gehinderd door enige kennis.

Zij laten zich leiden door een bekend bijgeloof:

“het ligt aan de leerling!” (dus niet aan mij, niet aan mijn school, niet aan ons onderwijs).

Zo ontsla je jezelf van elke verantwoordelijkheid en leg je die volledig bij de leerling.

De heer Veenboer had net zo goed kunnen terugkomen met de observatie, dat het aan de onderwijsinspectie in Nederland ligt (die bestaat in Finland namelijk niet).

Het doet mij denken aan een amateur golfspeler, die afreist naar Amerika om de beste ter wereld te observeren in de hoop om “het geheim” te ontdekken. Hij komt terug met de mededeling:

“Ik ben erachter! Hij gebruikt andere ballen! Bovendien denk ik dat het onderhouden van seksuele relaties met diverse vrouwen er ook iets mee te maken heeft.”

Als je niet weet waar je op moet letten, weet je ook niet wat je ziet.

De feiten:

Motivatie is inderdaad een factor voor het behalen van goede resultaten. Er zijn 327 studies naar gedaan, waar meer dan 100.000 leerlingen bij betrokken zijn. Als je echter een ranglijst maakt van belangrijke effecten op de leerresultaten van leerlingen, dan staat motivatie op de 51ste plaats. (Bron: John Hattie, Visible Learning 2009)

Als je motivatie ziet als “iets van de leerling”, dan kun je er niet veel aan bijdragen. Een deel is inderdaad “iets van de leerling”. Intrinsieke motivatie houdt verband met “conscientiousness”, een van de persoonlijkheidskenmerken uit de “Big Five”. De distributie van deze kenmerken is internationaal nogal evenredig. Er is geen enkele reden om aan te nemen, dat er in Finland afwijkende mensjes rondlopen.

Tja, dan moet er dus iets zijn met externe motivatie. De motivatie, die van buiten komt. Wat motiveert mensen? (leerlingen lijken namelijk verdacht veel op mensen). In dit verband is het interessant om kennis te nemen van de herziene Pyramide van Maslov (Perspectives on Psychological Science, May 2010 5: 292-314). Wat blijkt?  De behoefte aan status is een fundamentele behoefte, die voorafgaat aan het verwerven en behouden van een partner.

Als je leerlingen wilt motiveren, dan kan het dus helpen, als goede leerresultaten status geven. (Hierin ligt ook de verklaring voor het gegeven, dat een Fin graag leraar wordt. Finland heeft de aantrekkelijkheid van het beroep bewust vergroot door steeds hogere opleidingseisen te stellen. Het is heel moeilijk om in Finland toegelaten te worden tot het beroep leraar. Hierdoor is de status van het beroep hoog.)

Bereikbare leerdoelen, regelmatige (positieve) feedback over de vorderingen, formatieve evaluatie, zodat de docent zijn of haar lesgeven tijdig kan bijsturen, voldoende autonomie (over het hoe, niet over het wat) en positieve bevestiging zijn zo maar een paar acties waarmee je leerlingen motiveert.

Een leraar, die een goede relatie met zijn leerlingen weet op te bouwen is van veel groter belang voor de leerresultaten van de leerlingen dan de motivatie van leerlingen (hoewel er natuurlijk een overduidelijk verband is).

De tegenhanger van motivatie is demotivatie. Leerlingen demotiveren zou wel eens makkelijker kunnen zijn dan leerlingen motiveren. Een leerling publiekelijk vernederen, eisen stellen waar een leerling niet of moeilijk aan kan voldoen (met slechte resultaten als gevolg), onopgeloste conflicten met medeleerlingen en docenten, het gevoel dat de leerling geen enkele invloed heeft op het eigen leerproces en zo voort.

De heer Veenboer doet er goed aan om binnen zijn school te blijven en zich af te vragen: hoe is het om hier leerling te zijn? Moeten mijn leerlingen elk jaar deelnemen aan een loterij, die bepaalt of zij een succesvol jaar tegemoet zullen zien? Of maakt het niet uit welke leraar zij voor welk vak krijgen, want al mijn leraren vertonen de volgende kenmerken:

zij geven effectief les met gebruik van bewezen aanpakken;

zij koesteren hoge verwachtingen voor alle leerlingen;

zij scheppen een positieve relatie met hun leerlingen.

Als al zijn leerlingen zeggen:  mijn leraren kennen mij, dan komen de Finnen bij hem kijken.

Jan Tishauser

Vakmanschap, Zelfvertrouwen en Bevlogenheid

Herinnert u zich uw eigen schooltijd nog? Er waren docenten, die eruit sprongen. U ziet ze zo weer voor u. Ze hebben u iets uitgelegd op een manier waardoor het u nog altijd weet. Hoe deden ze dat? Is het te leren? Zo ja, hoe? Vandaag heb ik het concept geschreven voor de ‘onderzoekpagina’ op onze website. De verschillen in kwaliteit tussen scholen zijn niet zo groot. De verschillen binnen een school zijn veel groter. Als we deze verschillen kunnen verkleinen, dan verbeteren we het onderwijs echt.

O ja, schaf de inspectie maar af. Canada en Finland hebben geen inspectie. Het onderwijs is in beide landen beter.

En de inspecteurs? We hebben docenten nodig.

Docenten met vakm………..

Meer Geld naar Onderwijs?

Paars plus onderhandelt. Deze partijen lijken wel te beseffen, dat onderwijs geen kostenpost is, maar een investering.

Onderzoek laat zien, dat meer geld nauwelijks effect heeft op de leerresultaten. De vraag is niet hoeveel geld je investeert, maar hoe je het investeert.

Alexander Pechtold zegt: D’66 investeert in onderwijs. Wij maken de klassen kleiner.

Zonde van het geld. Er is nauwelijks een relatie tussen klassengrootte en leerresultaten van de leerlingen.

Maak de klassen groter. Ga verder met minder, maar hoger opgeleide docenten. Betaal docenten naar het aantal jaren, dat ze op de universiteit hebben doorgebracht.

Jan Tishauser

Goed Onderwijs

Een kind, dat in Nederland naar school gaat heeft recht op goed onderwijs.

Het criterium voor goed onderwijs is eenvoudig. Het onderwijs in Nederland is goed, als Nederland boven Finland en Canada staat op de de Pisa(1) ranglijst.

Goed onderwijs kan voor hetzelfde of minder geld geleverd worden. (Finland geeft minder per leerling uit)(2).

Onze achterstand is te overbruggen, zoveel slechter doen we het niet.

Wat we nodig hebben?

Politici en bestuurders, die over hun ideologische grenzen stappen en doen wat goed is. Wat goed is, weten we uit onderzoek. We passen het niet toe, omdat het niet binnen onze overtuigingen past.

Managers, die zich elke dag opnieuw afvragen: “hoe is het, om als leerling dit onderwijs op deze school te volgen?”

Docenten, die bereid zijn hun overtuigingen over leerlingen, leren en lesgeven onder ogen te zien en ter discussie te stellen.

Jan Tishauser

1. Bron: http://www.oecd-ilibrary.org/oecd/content/serial/18147364

2. Bron: http://www.oecd-ilibrary.org/oecd/content/serial/18147364